Roofmijt

Uit Wiet Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Roofmijten

Spint is een plaag die weinig buiten en binnen teelten spaart. Vooral bij droog en warm weer kan een populatie Spintmijten razendsnel toenemen. Sinds vele jaren wordt spint met succes met de roofmijt Phytoseiulus persimilis bestreden.

Biologie

De roofmijt Phytoseiulus persimilis is oorspronkelijk uit Chili afkomstig, maar is ondertussen door de mens, bewust of onbewust, al over grote delen van de wereld verspreid. Een Phytoseiulus-roofmijt is ongeveer even groot als een kasspintmijt, maar heeft een lichtrode kleur, staat iets hoger op de poten en is veel mobieler. Er komen ongeveer viermaal zoveel vrouwtjes als mannetjes voor.

Het vrouwtje legt haar eitjes steeds in of vlakbij een spintmijtkolonie. Ze zijn van een spinteitje te onderscheiden door de ovale vorm, de licht-oranje kleur en doordat ze ongeveer tweemaal zo groot zijn. De zespotige larve eet niet. Net zoals bij kasspint wordt het larvenstadium gevolgd door het protonimfe-, het deutonimfe- en het adulte stadium.

Tussen de ontwikkelingsstadia komt er echter geen rustfase voor. Na het volwassen worden, duurt het bij 20°C ongeveer 2 dagen voor de roofmijt eitjes legt. De ontwikkeling duurt onder normale omstandigheden korter dan die van kasspint, en bedraagt 5 dagen bij 30°C, 9 dagen bij 20°C en 25 dagen bij 15°C. Zonder bevruchting kan het vrouwtje geen eitjes leggen. Bij 20°C legt ze gedurende 22 dagen ongeveer 54 eitjes, maar soms kan dit oplopen tot 75.

Onder normale omstandigheden groeit een roofmijtpopulatie dus sneller dan een spintpopulatie. Bij hogere temperaturen (boven 30°C) of bij droger weer (luchtvochtigheid van minder dan 60%) is de spintmijt echter bevoordeeld en loopt de bestrijding minder goed. Bij te lage luchtvochtigheid verschrompelt het eitje van de roofmijt.

Het dieet van Phytoseiulus bestaat praktisch uitsluitend uit spintmijten. Slechts bij gebrek hiervan eet de roofmijt haar soortgenoten op. Een volwassen roofmijt verorbert alle stadia van de spintmijt, terwijl de nimfen enkel spinteitjes en protonimfen lusten. Dagelijks kan een volwassen Phytoseiulus ca. 20 spinteieren of larven, 13 protonimfen of 5 volwassen spintmijten verslinden.

Vanwege de snellere ontwikkeling en grote eetlust kan de roofmijt een spinthaard volledig uitroeien. Hoewel Phytoseiulus-nimfen dan meestal toch nog ter plaatse blijven, gaan de volwassenen wel op zoek naar andere haarden. Als de planten elkaar raken, kan de roofmijt zich vrij snel verspreiden in het gewas.

Toepassing

Phytoseiulus kan op allerlei groenten- en sierteelt gewassen in kassen worden toegepast, zoals paprika, komkommer, meloen, aubergine, aardbei, snijboon, gerbera, roos en allerlei potplanten. Voor een geslaagde biologische bestrijding van spint is het van belang de plaag tijdig te signaleren om ze snel onder controle te krijgen. Aangezien een spintpopulatie zich in de zomer sneller vermeerdert en zo biologisch moeilijker bij te houden is, kan men ze het beste onmiddellijk vanaf het vroege voorjaar biologisch bestrijden van zodra de spintmijten uit hun winterslaap komen.

Na het waarnemen van de eerste spinthaarden wordt zo snel mogelijk Phytoseiulus uitgezet. Afhankelijk van de teelt en de omstandigheden komt men volvelds in het totaal aan een introductie van 4 à 6 Phytoseiulus/m². Op en rondom de aangetaste planten zet men ca. 20 roofmijten/m² uit. In normale omstandigheden is Phytoseiulus in staat spint voor de rest van het teeltseizoen onder controle te houden. Bij droog en warm weer kunnen zich echter nog problemen voordoen. Uit ervaring is gebleken dat men dan de bestrijding met Phytoseiulus kan bijstaan door de vochtigheid op peil te houden door onder hoge druk en met fijne dop te broezen.

Gebruiksaanwijzing

Na levering moeten de roofmijten zo vlug mogelijk uitgezet worden. Het materiaal kan eventueel kort bewaard worden. Bewaar de flesjes liggend op een koele (6-10°C) en donkere plaats.

Laat het flesje met de roofmijten vóór gebruik op temperatuur komen. Draai en schud verschillende malen lichtjes met het flesje, zodat de roofmijten gelijkmatig verdeeld tussen de vermiculietvlokken voorkomen.

Vermijd te hoge temperaturen in het flesje met Phytoseiulus (warmte van de handen!).

Verwijder het plakkertje van de strooiopening. Strooi het materiaal uit op de bladeren. Strooi nooit door verwijdering van de draaistop (anders worden te veel roofmijten op te weinig plaatsen uitgezet!).

Met één flesje kan ongeveer 190 maal gestrooid worden. Per gestrooid hoopje zitten dan gemiddeld een zes- tot zevental roofmijten. Zet Phytoseiulus uit vanaf het moment dat de eerste spint voorkomt. Men zet minimaal 2-3 roofmijten per m² uit. Indien nodig wordt ongeveer twee weken later een tweede maal uitgezet. In de haarden mogen tot 20 Phytoseiulus/m² uitgezet worden.

Voor een goede roofmijtontwikkeling moet de relatieve luchtvochtigheid vrij hoog zijn (65% of meer) en dient de omgevingstemperatuur regelmatig boven de 20°C te komen.


Externe links

420shop online headshop